Groot onderhoud - orgel Magnuskerk Bellingwolde - januari . . . juli 2019

De makers en de geschiedenis van het orgel
Het orgel is gebouwd in 1797-98 door Heinrich Hermann Freytag (1759-1811) en zijn aanzienlijk oudere compagnon Frans Caspar Snitger Jr. (1734-1799) te Groningen. Het is een van de belangrijkste orgels van deze beroemde Nederlandse orgelmakers die nog een grotendeels in authentieke staat verkeren, Hun bedrijf vormde de derde generatie van de Schnitgerschool die inmiddels wordt gezien als één van de beste orgelbouwbedrijven van vier generaties op rij die ons land ooít gekend heeft.
Het concept van het orgel is karakteristiek voor Freytag en geheel anders van vormgeving dan bij Hinsz. Hun oeuvre is heel herkenbaar, classistisch van uiterlijk, voornaam en verfijnd gedetailleerd zowel in kast- en lofwerk als de klank- De bekende Groningse architect, kistenmaker en beeldsnijder Matteus Walles (1751-1817) heeft het fraaie lofwerk gemaakt, zowel op de orgelkast als bovenop de borstwering.
Door de tijd heen werd het orgel diverse keren hersteld. Achtereenvolgens in 1822 door Johan Wilhelm Timpe uit Groningen (1770-1837), voormalig meesterknecht bij Freytag, in 1874 door Roelf Meijer (1827-1884) uit Veendam, in 1891 door de fa. P. van Oeckelen & Zn. en in 1931 door de fa. N.J. van Dam (J, van der Bliek). Daarbij werden naast allerlei herstellingen ook enkele registers vervangen naar de nieuwste klankmode en werd de winddruk daarbij passend verhoogd zodat het orgel sindsdien enigszins meer ‘romantisch’ klonk (romantisch hier in de zin van een kunstmode).
Het orgel is ook van kleur voorzien geweest. Bij de bouw was het eiken met olie met rood pigment gekleurd, was al het lofwerk van bladgoud voorzien, de muziekinstrumenten naturalistisch geschilderd en de basementlijst met kolommen geschilderd in marmerimitatie. ln 1875 werd het orgeldekkend zwart geschilderd met witte biezen en wit geschilderd snijwerk met goudaccenten. ln 1931 werd alle verf van het orgel afgeloogd omdat het blank eiken toen zeer in de mode was. Die situatie is tot op heden zo gebleven.

De restauratie van 1991-1992
De intensieve restauratie in deze jaren door Albert H. de Graaf met Stef Tuinstra als adviseur en met feedback van de toenmalige RACM (Rijksdienst Monumentenzorg) was destijds broodnodig. Het werk werd heel voorzichtig uitgevoerd om zo weinig mogelijk authentieke sporen uit te wissen. Met name voor de klank heeft dat een geweldig resultaat opgeleverd en heeft het orgel sindsdien wereldvermaardheid gekregen vanwege haar grote authentieke klankschoonheid en fluwelig zangerige karakter. Ook de authentieke stemming kon worden teruggevonden die nergens anders ín Nederland zo voorkomt.
Nadat Albert de Graaf stopte met zijn werk is zijn bedrijf overgenomen door de (inmiddels Koninklijke) fa. Elbertse te Soest, met wie De Graaf ook al jaren intensief contact onderhield. Sindsdien is tot op heden het onderhoud van het Bellingwolder orgel door hen verricht.

Het huidige grootonderhoud
Na bijna 30 jaar was er veel aangekoekt stof in het orgel ontstaan. De speelaard is, door het in technische zin zeer voorzichtige werk van destijds, sinds 1992 nooit heel regelmatig geweest. De klavieren zouden zich lichter en soepeler kunnen laten bespelen en er was veel mechanieklawaai. Omdat de windladen geen vooziening hadden gekregen m.b.t. de moderne verwarming waren er in droge perioden altijd problemen met het bewegen van de registers. Ook was de afstelling van de slepen niet optimaal waardoor sommige pijpen onbedoeld minder wind kregen dan andere. Ook de windvooziening is destijds niet volledig gerestaureerd en was enigszins instabiel.
Het oorspronkelijke uiterlijk van het orgel wordt in een volgende fase van januari t/m april 2020 teruggebracht. Naast het herstel van de kleur en het bladgoud worden dan ook de sterk bevlekte frontpijpen en al het lofwerk gerestaureerd. Bij deze fase is het binnenwerk hersteld tezamen met de windvoorziening.
De balgen zijn winddicht gemaakt en de derde balg is nu ook aangesloten op het windsysteem. De treedinstallatie is daarbij ook volledig gerestaureerd en gecompleteerd. Ook de windmotorvooziening is in dit kader geheel vernieuwd. Het windkarakter kon door al deze ingrepen worden gestabiliseerd. Ook kunnen de balgen weer worden getreden zoals in vroeger dagen toen er nog geen elektriciteit was.
De mechanieken zijn aanvullend gerestaureerd en er zijn allerlei kleine correcties en stabiliserings- voorzieningen aangebracht. De speelaard en de registergang zijn hierdoor sterk verbeterd en klimaatbestendiger geworden. Ook de electrische vooziening is compleet vernieuwd.
Er is geen sprake geweest van herintonatie maar slechts van een uiterst geringe technische optimalisatie, bv. een incidenteel betere aanspraak van pijpen. Van vergaande egalisatie is (uiteraard) geen sprake geweest. Wel krijgen de pijpen nu weer een meer gelijkmatige windtoevoer zodat met name de vulstemmen en tongwerken net iets uitbundiger klinken dan voorheen.
Al het nu uitgevoerde werk is evenals in 1992 met grote terughoudendheid verricht om het bijzondere oude ‘patina’ niet verloren te doen laten gaan. Met de sindsdien opgedane kennis is het orgel in technische zin wel aanmerkelijk 'opgewaardeerd' zonder aan authenticiteit in te hoeven boeten. Het werk is met groot vakmanschap en veel invoelend vermogen verricht. Daarom is hierbij een groot compliment aan de orgelmakers dan ook op z'n plaats!

Stef Tuinstra, adviseur.